Artikelen over Nicci French
 
Hoe het begon - Nicci's versie
(Bron: Vogue, juli '99)

Soms proberen we ons te herinneren of we elkaar al eens hebben ontmoet voor de eerste keer. Het zou kunnen: we leefden tenslotte in hetzelfde wereldje, en we ontdekten later dat we gemeenschappelijke vrienden hadden. We hadden zelfs twaalf jaar eerder op dezelfde universiteit gezeten.

We hadden een aantal jaren parallelle levens geleefd voordat we bij elkaar kwamen. Er was in ieder geval één avond die we ons allebei herinneren: de avond waarop we elkaar ontmoetten en ons aan elkaar voorstelden. Dat was op een feest in de National Portrait Gallery, mensen stonden bij zwakke verlichting wijn te drinken tussen de olieschilderijen. We praatten over deadlines (die hij miste en ik haalde) en we gingen uit elkaar zonder om te kijken. Hij leek aardig, vond ik, met een bleek, effen gezicht en hij lispelde een heel klein beetje.
Later kwamen we elkaar weer tegen toen we allebei kort bij de New Statesman werkten; ik was waarnemend literair redacteur, hij was columnist. Het was begin 1990, en ik was niet klaar voor wat voor relatie dan ook. Mijn man en ik waren net gescheiden: ik woonde alleen met een dromerig, aanhankelijk zoontje van net twee jaar en een onrustig dochtertje van tien maanden. Ik at niet, dronk te veel zwarte koffie en rode wijn, rookte een paar pakjes sigaretten per dag, waarbij ik overal as rondstrooide als confetti. Ik was absoluut niet voorbereid op de liefde. Maar de liefde komt vaak onaangekondigd door de achterdeur als je het het minst verwacht of wilt. De liefde komt als een verrassing.

Op de dagen dat hij op kantoor kwam, gaf ik hem boeken om te recenseren. Ik ontdekte dat hij half Zweeds was, en besefte dat hij een Scandinavisch gezicht had: hoge jukbeenderen. Hij vertelde me over zijn blokhut aan een meer waar hij elke zomer heen ging en over zijn groep vrienden daar. We praatten over literatuur; andere plaatsen; politiek; roddels. Hij was altijd gesloten over zijn privé-leven. Hij wist al dat we met zijn drieën waren. Hij heeft me nooit het gevoel gegeven dat hij ons adopteerde: hij gedroeg zich altijd alsof hij degene was die geluk had, degene die door ons werd opgenomen. Hij is iemand zonder voorbehoud. Hij viel voor iemand die kinderen had en ik viel voor iemand die bij hen neerknielde en op een verlegen en lieve toon tegen hen praatte.

Ik merkte dat ik als hij er was - zittend op mijn bureau met bungelende benen, bladerend door recensie-exemplaren - soms weer gelukkig was, een plotseling goed humeur had alsof de lente voor de deur stond, een plotselinge brok in de keel.

Uiteindelijk gingen we samen lunchen, net voordat ik van de New Statesman overstapte naar de Observer. Ik at een salade met zeevruchten en hij at pasta met kokkels. Hij at langzaam, nam kleine slokjes van zijn rode wijn. Ik wilde dat er geen einde zou komen aan de maaltijd. Hij had toen nog een vriendin, maar noemde haar naam niet.

Later, na ons eerste afspraakje (When Harry Met Sally) namen we de bus naar zijn huis om zijn ijskast te plunderen voordat we teruggingen naar mijn huis en kinderen. Hij pakte spullen om een maaltijd te maken - mijn ijskast was toen altijd leeg. De kinderen waren diep in slaap; de soep verbrandde in de pan.

Hij kwam op de fiets naar me toe met het diner in zijn fietstassen: vis, kool, nieuwe aardappeltjes, een fles witte wijn. Hij deed mijn kinderen in bad; sloeg handdoeken om hen heen op een wat onhandige manier, alsof ze onder zijn handen zouden breken. We konden niet zo vaak uitgaan als de meeste nieuwe stellen vanwege de kinderen. We bleven binnen, kookten voor elkaar, en hieven samen het glas: 'Op ons.' Niemand wist van ons; we waren een geheim, verrast door geluk. Mijn zoon noemde hem 'de man in de voorkamer'.
Soms werden we afzonderlijk uitgenodigd op dezelfde feestjes. Dan liepen we rond, pratend met verschillende mensen, en deden we net of we elkaar nauwelijks kenden; soms keek ik op en dan zag ik dat hij me van de andere kant van de kamer aankeek. Of ik keek naar hem als hij zijn aandacht richtte op een onbekende. Ik keek naar hem en ik dacht: Hij is van mij. De lente kwam. Seans sproeten breidden zich uit; als je goed keek zag je dat zelfs zijn lippen sproeten hadden. We gingen samen een weekendje weg, met zijn tweetjes; we wandelden langs een kiezelstrand met de koude wind in ons gezicht. Ik herinner me dat ik 's avonds, toen we van het restaurant teruggingen naar onze bed & breakfast zo hard lachte dat ik de auto aan de kant van de weg stil moest zetten. Ik lachte alsof ik gek was, en ik denk dat ik dat ook bijna was - gek van geluk, rouw, shock en nieuwigheid. Elke keer dat ik naar zijn bleke, lieve gezicht keek, kromp ik ineen van angst en hoop.

Ik stopte met roken. Ik ging weer gezond eten. We hielden onze relatie niet meer geheim, maakten kennis met elkaars familie en vrienden, werden samen bij mensen uitgenodigd. We waren een stel. Die periode van ons leven - teruggetrokken, intens, vreemd - was voorbij. Mijn scheiding zou snel worden afgerond. Ik zou snel zwanger worden. We zouden snel een bezoek brengen aan de burgerlijke stand en man en vrouw worden verklaard tot de dood ons scheidt.

Sean en ik schrijven nu samen thrillers. Dat proces heeft niet zoveel te maken met een routinematige samenwerking, maar heeft soms meer weg van een vreemde vorm van gemeenschappelijke waanzin waarin twee mensen samen veel gekkere dingen doen dan ze ooit in hun eentje zouden doen. Als er iets intiems, seksueels is in die manier van werken dan was dat misschien een van de inspiraties voor Bezeten van mij, dat gaat over de aantrekkingskracht en de gevaren van obsessieve liefde. Tijdens het schrijven zitten we elkaar soms dicht op de huid, zoals Adam en Alice op een gevaarlijkere manier doen. Misschien is ons gezamenlijk schrijverschap een manier om de verwevenheid met elkaar vast te houden.

We hebben elkaar negen jaar geleden ontmoet. We hebben de troostende cyclus doorleefd van Kerstmis, kinderverjaardagen en onze eigen verjaardagen, zomervakantie. We kregen kinderen, zindelijkheidstraining, kinderziekten, slapeloze nachten, ruzies en verzoeningen. We kregen een hypotheek, pensioenregelingen, een testament; kwamen terecht in een soort routine. We huilen bij dezelfde films. We krijgen samen de slappe lach. We schrijven boeken samen, doen kruiswoordpuzzels als we met de auto reizen, hebben familiegrapjes en favoriete verhalen, koken risotto met wilde paddestoelen en gegrilde groenten, maken elkaars zinnen af, vertellen elkaar onze dromen. We hebben nieuwe rimpels in ons gezicht. Mijn ogen worden slechter, Seans haarlijn trekt terug, onze kinderen zijn oud genoeg om zich voor ons te schamen. Samen zijn we op weg naar de middelbare leeftijd. Zoals de kinderen zeiden, ik vind hem aardig en ik houd van hem. Hij was mijn nieuwe begin; ik hoop dat hij mijn einde zal zijn.

Nicci Gerrard, Vogue juli '99